Luide leeghoofden
Een studentenhoofd is net een huis: als het te lang leeg staat, wordt het gekraakt.
“Een wereld die op onaantastbare zekerheden berust, is de dood voor de roman,” schreef Milan Kundera. “Totalitarisme, of dat nou op Marx, de islam of iets anders is gebaseerd, is een wereld van antwoorden, in plaats van vragen. Voor de roman is daarin geen plaats.”
Kijkend naar de tot op het bot verbeten, tot wereldwijde intifada oproepende hordes op de universiteiten, wenste ik dat er nog een belezen docent rondliep om ze een boek toe te stoppen van de vorig jaar gestorven schrijver. Als geen ander heeft Kundera beschreven hoe eenvoudig je de geschiedenis om zeep kunt helpen door de twijfel te verbannen, en hoe snel de herinnering van de enkeling het aflegt tegen het opgelegde geheugen van het collectief. Hordes hebben geen vragen, die schreeuwen uitroeptekens. En die scharrel je tegenwoordig eenvoudig bij elkaar op TikTok – hoef je ook geen driehonderd pagina’s te lezen.
Vorig jaar stierf niet alleen de schrijver van Het boek van de lach en de vergetelheid, maar ook stichting Memorial. Deze mensenrechtenorganisatie, die sinds de jaren tachtig ijverde voor eerherstel van de slachtoffers van de Sovjetrepressie, werd al sinds 2008 bestookt door de Russische veiligheidsdiensten. Toen hun archief in beslag werd genomen, was dat een beslag op het geweten van de Russen, een exhumatie van miljoenen namen en feiten. En zoals dat gaat met het ruimen van graven, was het doel niet alleen het verwijderen van die namen en feiten, maar ook het plaatsmaken voor nieuwe. Als iets moet worden vergeten, betekent dat meestal dat er iets nieuws moet worden onthouden.
Vooruitlopend op een grote oorlog die hij wilde winnen, opende Poetin tien jaar geleden in Moskou het ‘Pantheon van de Verdedigers van het Vaderland’ – de grootste herdenkingsbegraafplaats van Rusland. Om bij de veertigduizend, nog te vullen graven te komen moest je door een laan met bronzen helden uit zes eeuwen oorlogsgeschiedenis. De verse heldendoden zouden snel volgen, wist hij. Ik moest hieraan denken na 7 oktober, toen de media wel heel haastig over de Israëlische slachtoffers heen stapten in afwachting van graven die onder luider protest zouden worden gevuld.
Wat dat betreft is Hamas geraffineerd te werk gegaan: als er geen lichamen zijn om te bergen, hoeft er ook niemand te worden herdacht. Herdenken is een traditie die nog bewaakt wordt in het Westen – mits het samengaat met boetedoening. Denk aan Willy Brandt op de knieën. Of de hand van Helmut Kohl in die van Mitterrand, samen aan de voeten van de slachtoffers: Duits, Frans, christelijk, Joods, atheïst, ellepijpen, sleutelbeenderen, middenvoetsbeentjes – in het knekelhuis van Douaumont ligt alles door elkaar. Daarop paste enkel universeel, grenzeloos afgrijzen. Zo gingen we het doen in Europa, dachten we in 1984. Sindsdien staat het Westen alleen nog stil bij Joden als ze in een grijs verleden door Duitse daders met blauwe ogen zijn omgebracht.
Voor de gewone westerling is het eeuwigdurend grafrecht niet weggelegd, maar sinds kort zijn ook de grote namen hun grafrust niet zeker. Wie wil weten wat de drijfveer is van iconoclasten, moet niet kijken naar de standbeelden die ze slopen, maar naar die ze ongemoeid laten. De bronzen David Hume, Mahatma Gandhi en Winston Churchill moesten het om de kleinste voetnoten ontgelden, terwijl Karl Marx, in zijn tijd onbeschaamd en openlijk racist (en antisemiet, maar daar ligt niemand meer van wakker van) ongeschonden door de toets van de BLM-beweging en hun Critical Race Theory is gekomen. Geen spatje verf, geen deukje viel Karl ten deel. In Trier kreeg hij zelfs een nieuw standbeeld. Elke keer lijkt het de activisten niet om de slachtoffers te gaan, maar om de daders. Niet om wat gebouwd kan worden, maar om wat kapot moet. Er is een generatie opgestaan die onomstotelijkheden omstoot zonder er iets voor in de plaats te zetten.
“Maak je niet druk over de toekomst, morgen weten we niet eens wat voor geschiedenis we hadden,” luidt een Russische mop waarvan ik nooit dacht dat hij op het Westen van toepassing zou worden. Van de tijd dat ik voor de Russische televisie werkte herinner ik me dat er tussen 1992 en 1997 weleens documentaires over de verschrikkingen van het Sovjetregime werden getoond, maar daarna zelden. Vijf jaar hebben de Russen gekregen om stil te staan bij de slachtoffers van foute keuzes. Vergelijk dat eens met de Duitse Vergangenheitsbewältigung.
Wat de gemiddelde activist op de campus gemeen heeft met de Russen die al twintig jaar achter hun oorlogszuchtige leider aan lopen, is de weigering feiten tot zich te nemen die hun zijn onthouden, bijvoorbeeld door leraren die de lieve vrede wilden bewaren – om antisemieten niet voor het hoofd te stoten en het eigen hoofd niet te verliezen.
Wat dat betreft is een studentenhoofd net een leegstaand pand: het duurt niet lang of het wordt gekraakt. Toen op de UvA de straatklinkers door de lucht vlogen, liet de NOS een zogenaamd willekeurige student aan het woord, zonder te vermelden wie hij eigenlijk was: lid van de extreemlinkse Revolutionaire Eenheid en het in Duitsland verboden Samidoun. ‘Long Live October 7th’, juichte Jacob Bodden op zijn Instagram, en mijn oude universiteit zag dat het goed was.
Jacob Bodden van Samidoun bij graf Ghassan Kanafani, woordvoerder terreurorganisatie PFLP





Wederom briljant.